0314 848080 info@gewoonlaurens.nl

Al vijf maanden zoek ik haast wanhopig naar het antwoord op de vraag: “Hoe gaat het?” Een standaardvraag, vaak gesteld vanuit beleefdheid, waarop het gewenste antwoord “goed” is. Maar wat nou als het helemaal niet goed met je gaat? Wat nou als je elke dag doodsangsten uitstaat? Wat nou als elke dag een vreselijk gevecht is?

Op 6 december 2017 is mijn wereld ingestort, de grond onder mijn voeten weggeslagen en sinds 6 december 2017 ben ik elke dag bezig met het zoeken van een balans tussen ‘normaal doen’ en ‘verdrietig zijn’, tussen ‘zorgen voor’ en ‘genieten van’ en tussen…. Tja… waartussen eigenlijk? Hoe ga je verder als je op 6 december 2017 hoort dat je moeder een hersentumor heeft en niet meer beter gaat worden? Voor iedereen die écht wil weten hoe het met me gaat, schrijf ik vandaag. Ik wil me niet langer verstoppen, ik wil open en eerlijk vertellen wat de ziekte van mijn allerliefste mama met me doet en hoe ik probeer me binnen de gegeven situatie te handhaven.

De band die ik met mijn mama heb, is moeilijk uit te leggen. Ik heb vroeger weleens gedacht dat deze band sterker is dan goed voor me kan zijn. Veel mensen zullen hun moeder zien als de liefste en beste moeder van de wereld; ik dus ook. Voor mij is mama meer dan dat alleen. Ik probeer dit in woorden te vangen, maar het lukt me niet, omdat er geen woorden zijn die recht doen aan mijn diepe gevoelens voor mama. Ik laat het even voor wat het is en ik ga je meenemen in de chronologische vertelling van de afgelopen vijf maanden.

Op 6 december 2017, rond de klok van 15:00 uur loop ik kamer 1 van de Spoedeisende Hulp (SEH) van het Doetinchemse Slingeland Ziekenhuis in. Papa op een stoel aan de ene kant van het bed, mama in kleermakerszit óp het bed en ik aan de andere kant van het bed, op een stoel. Ik leg mijn hand op mama’s knie; bang voor wat gaat komen. En dan komt het:

“Ik kan het niet mooier maken dan het is: ik heb een hersentumor.”

Ik schiet gelijk vol met vragen. Vragen over ‘beter worden’, prognoses, de ernst van de situatie. Van alles gaat er door me heen. Ik kan niet bevatten wat mama heeft gezegd en ik word ongelooflijk bang; ik kan nog helemaal niet zonder haar en tegelijkertijd word ik boos op mezelf omdat ik deze gedachte heb. Wanneer de arts de kamer binnenkomt, is het enige wat ik uit kan brengen: “U moet mijn mama beter maken.” Waarop de arts aangeeft dat ze denkt dat dat niet kan. Dat was de mokerslag. Ik ben verdrietig en bang, lamgeslagen en boos…Ik voel zo veel dat ik het niet op een rijtje krijg. Ik bel naar het werk van mijn lief, haal hem uit zijn werk en vertel hem wat ik zojuist gehoord heb. Samen gaan we naar het ziekenhuis, waar mijn moeder nog een paar dagen moet blijven voor verder onderzoek. Uiteindelijk blijft mama tot 11 december in het ziekenhuis.

In die vijf dagen proberen we dit nieuws te laten landen. Voor mij zijn het uiterst pijnlijke dagen. Ik probeer tot me door te laten dringen wat dit betekent voor mama, voor mij, voor mijn vader en voor mijn lief. Een moment uit deze dagen blijft zich tot de dag van vandaag repeterend afspelen in mijn hoofd:

Een maand voor dit vreselijke nieuws heeft Kelvin (mijn lief) aan mijn mama gevraagd of zij zijn getuige wil zijn. Op 15 oktober had ik Kelvin namelijk ten huwelijk gevraagd. Kelvin schreef voor mama een brief die hij aan haar voorlas. In die brief vertelt hij hoe belangrijk mijn mama voor hem is en hoe veel steun hij bij haar vindt; de brief ontroert ons allen. Op 17 november neemt mama ons mee brunchen om “haar benoeming te vieren”. We eten en drinken veel te veel, maar we genieten. En nu, amper drie weken later ligt deze bom onder ons gezin. Kelvin en ik zouden op 25 mei 2019 gaan trouwen en wat we allemaal denken, durft mama in die eerste dagen ziekenhuis pijnlijk te benoemen.

We zitten in het restaurant van het ziekenhuis, Kelvin en mama hebben elkaars hand vast. Dat gebeurt deze dagen vaker en elke keer als ik dat zie, emotioneert me dat enorm. Kelvin zegt iets over de benoeming van mama en terwijl mama Kelvins hand nóg steviger vastpakt, zegt ze tegen hem: “Het duurt nog wel lang.” De manier waarop ze deze woorden spreekt en de blik waarmee ze naar Kelvin kijkt, zegt alles: mama is bang dat ze daar niet meer bij kan zijn. Ik ga kapot.

’s Avonds barst ik in de troostende armen van mijn vader uit in het heftigste gehuil dat ik me kan herinneren; Ik schreeuw het uit van wanhoop. Ik heb mijn mama haar hele leven geprobeerd te beschermen tegen negatieve zaken, maar nu sta ik machteloos…ik kan niks doen om haar te beschermen tegen deze tumor. Het voelt alsof ik faal. Ik schreeuw het ook uit van verdriet. Verdriet omdat ik thuis op de bank zit, op mama’s bank terwijl mama een kleine kilometer verderop in het ziekenhuis ligt. Ze zit niet naast me, kan me niet geruststellen, maakt geen grapjes met me. Ik vind het huis pijnlijk leeg zonder mama en het confronteert me enorm met ‘de situatie’. Tegelijkertijd voel ik me boos worden. Waarom moet dit mijn mama overkomen? In Godsnaam: WAAROM!!! Het is zo ontzettend oneerlijk.

Als mama op 11 december met ontslag mag, hebben we eerst een gesprek met de neuroloog. We krijgen die dag om 13:00 uur te horen wat de neurologen hebben gezien op de MRI-scan. Om wat voor tumor gaat het eigenlijk? Wat zijn de kansen en mogelijkheden? Ik ben die dag al vroeg wakker en ik voel me onrustig. Ik rook te veel sigaretten, ijsbeer de halve ochtend door het huis, terwijl Kelvin met een van angst vertrokken gezicht voor zich uit zit te staren op de bank. Kelvin is bang, ik vooral onrustig.

Om 10:30 uur gaat plots de telefoon: het is papa. Hij vertelt me dat de neuroloog NU met ons in gesprek wil; veel eerder dan verwacht en ik trek daar gelijk enge conclusies uit. Kelvin en ik schieten onze kleren aan en tien minuten later lopen we afdeling N1 van het ziekenhuis binnen. We vragen de verpleging waar mijn ouders zijn en we horen dat zij net met de neuroloog zijn meegelopen. De verpleger loopt naar de deur waarachter mijn ouders en de neuroloog zitten en ik kijk met bange ogen naar de deur. Ik heb nog net niet het metaforische beeld van ‘de poorten van de hel’ voor me, maar het komt akelig dicht in de buurt.

De deur gaat open, we lopen naar binnen en ik zie mijn ouders (vooral mama) rustig zitten met een vrouwelijke neuroloog. We gaan gelijk zitten en ik wil ‘ter zake komen’. Mijn hoofd roept iets als: “Kom maar op met je vreselijke nieuws…” En dat vreselijke nieuws komt er. Alle bange vermoedens worden bevestigd: “Je moeder heeft een kwaadaardige hersentumor en we kunnen haar niet genezen”. Mijn mama gaat dus écht dood. Terwijl ik dit typ voel ik de behoefte het woord ‘dood’ weer weg te halen. Het doet zo’n pijn en ik wil er nu nog steeds niet aan dat dit echt zo is… Terug naar het gesprek met de neuroloog:

Ik kijk vooral naar de blikken van mijn ouders en ik schiet weer in een soort van ‘praktische modus’ die ik voor nu even ‘survivalmode’ ga noemen. Dezelfde vragen die vijf dagen geleden opdoemden bij het eerste slechte bericht, durf ik nu te stellen. De neuroloog vertelt dat we zo gelijk in de auto moeten stappen naar Enschede, naar het Medisch Spectrum Twente (MST) waar we over anderhalf uur een afspraak hebben met een neurochirurg om een operatie te bespreken. Ik huiver.

Ik verwonder me over de oerkracht van mama. Sterk, berustend, haast nuchter. Nu hoef ik me bij mama nooit af te vragen of ze iets verbloemt; wat je ziet, is wat je krijgt. Mama is rustig en lijkt al voorbereid te zijn op alles wat zojuist gezegd is. Aan het eind van dit gesprek vraag ik hoe mama naar deze situatie kijkt. Ze zegt daar tegen ons: “Waardigheid gaat mij voor tijd.” Die woorden snijden in mijn hart. Heel, heel hard. Ik begrijp de woorden, respecteer deze keuze van mama direct, maar wat zo ontzettend snijdt: mama beseft zo goed dat ze dit niet gaat overleven en dat het wellicht een onwaardig traject wordt en daar wil ze een stokje voor steken. Zo ver was ik nog niet; in mijn survivalmode ben ik alleen maar aan het nadenken over de volgende stap en niet over ‘hoe te sterven’. Het doet me pijn dat mama dat wel doet; ze lijkt er haast in berust te zijn.

Gelukkig hebben we heel lieve vrienden om ons heen. Vrienden die niet alleen blijven informeren naar hoe het met mama gaat, maar ook willen weten hoe Kelvin, pap en ik ons staande houden. Ook al is dat laatste iets waar ik nog niet zo goed bij stil kan staan, het doet me zo ontzettend goed. Het hebben van liefhebbende mensen om je heen, is zo uiterst waardevol. Ik kan bij onze vrienden mijn hart luchten, aanschuiven voor een hapje eten, of gewoon dom op de bank zitten en voor me uitstaren zonder dat ik iets moet zeggen. Voor Kelvin is het wat lastiger. Hij uit zich moeilijk; kan niet goed bij zijn emoties komen. Gelukkig spreekt hij met een vriendin af om daar samen over te spreken. Een paar dagen later, tijdens het strijken van de was, breekt Kelvin. Verdriet overvalt hem, tranen zijn niet te stoppen; hij kan zich uiten en gek genoeg is het eerste wat we doen, naar mama gaan. Kelvin valt in mama’s armen en mama troost hem liefdevol.

Voor nu stop ik met schrijven; anders wordt het veel te veel. Te veel voor jou als lezer, maar ook te veel voor mij om nu te kunnen verwerken. Volgende week zal ik jullie vertellen over het gesprek in het MST en over het traject dat volgde.

Bedankt dat je de moeite wilde nemen dit te lezen. Ook dat steunt!

Liefs,
Lau