0314 848080 info@gewoonlaurens.nl

Ik sta op de rand van de klif en kijk in de diepte. Ik word bevangen door een enorme angst; angst om het ravijn in te vallen en dood onderaan de klif te eindigen. In die seconden van angst komen de meest irrationele gedachten in me op. Moet ik springen? Moet ik een stap naar achteren zetten? Ik weet het niet meer. Wat ik wel weet, is dat ik de enorme diepte niet wil zien; ik sluit mijn ogen voor wat me zo bang maakt. Met gesloten ogen denk ik te kiezen voor de veiligste oplossing en ik stap naar achteren, weg van het ravijn, weg van de diepte en weg van de naderende dood onderaan de klif. Leunend tegen de rotswand kom ik weer tot mijn positieven en van een afstandje kijk ik nog eens naar wat ik zo eng vond. En wat zie ik? Het ravijn was er helemaal niet, maar alleen de gedachte dat het ravijn er had kunnen zijn, maakte me dusdanig bang, dat ik mijn eigen angst ging geloven. Ik recht mijn rug, loop terug naar de rand en ik zet een stap naar voren.

In plaats van ter aarde te storten, wandel ik de mooie paradijstuin in die ik door mijn angst in eerste instantie niet kon waarnemen. Ik voel dat ik weer lucht krijg. Dat ik mijn angst de baas ben geworden, me niet hoef te laten leiden door irrationele gedachten, maar dat ik mag zien wat er werkelijk is en daar met mijn volle verstand een (voor mij) verstandige keuze in mag maken. Wat voel ik me bevrijd, wat ben ik blij dat ik heb geleerd ‘lijden’ om te buigen in ‘leiden’. Deze keer geen blog over verdriet en pijn, maar een blog over een soort van wederopstanding.

Al mijn leven lang laat ik mijn leven leiden (of toch: lijden) door angsten. De angst om mensen teleur te stellen, mensen kwijt te raken, niet ‘normaal’ te kunnen functioneren, maar misschien is mijn grootste angst wel dat ik zo bang ben om te kiezen voor wat nou écht het beste is voor mij. Want stel je voor dat ik daar iemand mee teleurstel…. Oftewel: kiezen voor het zien van de afgrond, of kiezen voor het zien van de mooie paradijstuin die er werkelijk is.

Hoewel deze angsten al in mijn jonge jaren zijn ontstaan, vergrootten deze angsten op het moment dat ik een hersenbloeding kreeg. Ik heb nooit (zelfs nu nog niet) stil kunnen staan bij wat de gevolgen van de hersenbloeding emotioneel doen met me. Mijn allereerste zorg lag bij mijn ouders. Hoe moet het voor mijn ouders zijn om dit mee te moeten maken; hoe moet het voor mijn ouders zijn om hun kind verlamd uit het buitenland te moeten halen, terwijl de vooruitzichten ronduit slecht zijn? Ik had het gevoel dat ik mijn ouders zoveel verdriet had aangedaan, ook al weet ik nu dat dit een onterecht gevoel is geweest.

Op dat moment was dit voor mij een veilige en helpende gedachte. Tegen alle verwachtingen in, leerde ik weer lopen en kreeg ik een leven terug. Een afgeslankt leven, dat wel, maar het was een leven. Ik had door mijn inzet de angsten van mijn ouders kunnen beteugelen en zij zagen dat ik er weer uit ging komen; iets waar mama vanaf dag één een rotsvast vertrouwen in had! Mijn angst om mijn lieve ouders pijn te doen, hielp mij uit de rolstoel en hielp mij weer ín de maatschappij. Deze succeservaring vormde volgens mij de basis voor alles wat daarna kwam: zolang ik maar vocht, meer dan mijn uiterste best deed en niet geloofde in onmogelijkheden, kon ik veel meer dan ik (en mijn artsen) dacht(en).

In de jaren die volgden, was dit een prima strategie om alles aan te pakken: hard werken en veel oefenen, loont! Ik kreeg op het Graafschap College in Groenlo de kans om het docentschap te ontdekken en in acht jaar werken op het Montessori College in Arnhem mocht ik mij ontwikkelen tot de docent die ik nu ben. Ook nu wilde ik de mensen die in mij geloofden niet teleurstellen en wederom werkte dat!

Ook in het sociale leven paste ik dit toe. Zelfs bij mijn lieve vrienden was ik aan het vechten en intens hard mijn best aan het doen. Waarvoor? Om maar zo normaal mogelijk te zijn en om maar te laten zien dat ik nergens hulp bij nodig had. “Laurens kan alles,” dat was wat ik wilde uitstralen naar de mensen die van me houden. “Maak je maar niet druk om mij, met mij is niks aan de hand!”

Velen hebben mijn instelling bewonderd. Het dwong respect af en dat deed mij goed, gaf me bevestiging én gaf me het gevoel dat ik aan de verwachtingen voldeed. “Jij klaagt nooit,” zeiden mensen tegen me. En inderdaad: klagen was mij vreemd. Niet janken, maar doorlopen! Dat was mijn credo. Blijven lachen, over grenzen blijven gaan, maar vooral niet klagen. Stel je voor zeg. Misschien vinden mensen me dan vervelend of stel ik mensen teleur! Dat kon ik niet laten gebeuren.

Ik heb vakanties gevierd die ik fysiek eigenlijk helemaal niet aankon, schoolexcursies begeleid die ik fysiek eigenlijk niet begeleiden kon, harder gewerkt dan goed voor me was, op feesten staan hossen waar ik eigenlijk helemaal niet had moeten staan (als ik mijn lijf wilde beschermen) enzovoort enzovoort. Ik kon niet eerlijk zijn tegen mezelf, wilde niet eerlijk zijn tegen mezelf en wilde niemand teleurstellen of laten zien dat ik het eigenlijk allemaal niet aankon; terwijl ik dit voelde aan alles in mijn lijf. Ik kon maar niet accepteren dat ik nou eenmaal ‘niet meer normaal’ ben.

Tot ik in de zomervakantie van 2016 afscheid moest nemen van een van mijn dierbaarste vriendinnen: Nienke. Het kost me moeite over haar te schrijven; de pijn zit nog te diep. Na haar overlijden, had ik mijn energie hard nodig om mezelf overeind te houden. De start van het schooljaar kwam voor mij dan ook veel te vroeg. Ik worstelde met zoveel complexe gevoelens, waardoor er geen ruimte over was om de schijn op te houden dat ik ‘gewoon normaal’ functioneer. Op mijn werk kon ik mijn fysieke beperkingen niet meer weghonen en ik moest gas terugnemen. Voor het eerst in tien jaar werd ik gedwongen mezelf en anderen te confronteren met de beperkingen die ik aan de hersenbloeding heb overgehouden. Gelukkig kon ik rekenen op de liefdevolle zorg van mijn afdelingsleider en langzaam aan brachten we met behulp van professionals eerlijk in kaart waar mijn mogelijkheden nog liggen. Maar ook: waar mijn beperkingen op werkgebied nu eigenlijk liggen. Dat was een pijnlijk proces, maar door de enorme betrokkenheid van mijn afdelingsleider kon ik mezelf daar doorheen slepen: ik leerde langzaamaan dat ik eerlijk mocht zijn tegen mezelf en tegen collega’s. Dat was ontzettend fijn.

In mijn privéleven was dat alleen nog moeilijk. Ik deelde maar moeilijk wat er op mijn werk speelde en ik hield de schijn van ‘normaal zijn’ op. Bang te zijn dat mensen daar iets van zouden vinden. Alleen mijn ouders en Kelvin wisten wat er feitelijk speelde en enkel mama wist wat dit écht met mij deed. Ik ging nog gewoon de feestjes af, plande te ingewikkelde uitjes en waarom? Om maar ‘normaal’ te lijken en niemand teleur te stellen. Bang voor de gevolgen van deze teleurstellingen.

Toen werd, in december 2017, mijn liefste, allerliefste mama ziek en we wisten al vlot dat zij niet lang meer te leven had. Ik wilde voor mama zorgen, er voor mama zijn en mama laten zien dat ik het leven zonder haar aan zou kunnen. Dat laatste is niet onbelangrijk: mama’s grootste angst was dat het met mij, met haar enige kind, niet goed zou komen wanneer zij zou komen te overlijden.

Gelukkig was Kelvin toen al in mijn leven en daardoor wist, zag en voelde mama dat ik het allemaal niet alleen hoefde te doen. Dat maakte haar gelukkig en beduidend minder bang. In de acht maanden dat mama ziek was, hebben papa, Kelvin en ik met alle liefde voor mama gezorgd. Niet VERzorgd, maar GEzorgd. Elkaar lief gehad, gekoesterd, gesteund in het proces, meegeweest naar ziekenhuisafspraken en behandelingen en ook dat was mij eigenlijk veel en veel te zwaar; ik kon dit na een maand of drie (fysiek en mentaal) bijna niet meer opbrengen. We hadden eigenlijk allemaal iets positiefs nodig. Papa en mama trouwden, Kelvin en ik trouwden en…Kelvin en ik verhuisden. En dat laatste punt is de directe aanleiding van dit hele verhaal.

Op 16 maart 2018 kregen Kelvin en ik de sleutel van onze hoekwoning met grote tuin. Kelvin was dolgelukkig, papa was dolgelukkig, mama was blij, trots en gelukkig (een ‘echt’ huis) en ik… Ik deed mijn best om ook blij te zijn. Ik werd vooral gelukkig van mijn trotse ouders en mijn evenzo trotse echtgenoot. Alleen was ik vooral bang, maar dat mocht niemand zien. Zeker papa, Kelvin en mama niet. Maar ook mijn trotse vrienden niet. Iedereen was zo blij voor ons.

Toen mama op 8 augustus overleed, kon ze mij met een gerust hart achterlaten. Ik had Kelvin, ik had papa, ik had geweldig lieve vrienden en een prachtig huis met een nog prachtigere tuin. Het deed me zo goed dat mama gerust was.

Maar eerlijk: zo’n feest is dit huis niet. We wonen hier nu bijna een jaar en fysiek vraag ik veel te veel van mezelf. Ik zwik mijn enkel vaker dan ooit tevoren en rusten, om de enkel te laten herstellen, kan ik niet: ik moet de trap op en af. Een groot huis vraagt meer meters (trap)lopen, een tuin vraagt onderhoud en eigenlijk kan ik dat helemaal niet aan. Maar dat toegeven en daardoor mensen mijn kwetsbaarheid laten zien? Dat durf ik niet. Wat moeten de mensen wel niet denken die ons hebben helpen verhuizen, schilderen, behangen enzovoort? Wat gaat Kelvin hiervan vinden? Mag ik hem ‘een echt huis’ onthouden? Wat zeg ik tegen mijn vrienden die zo blij zijn dat we in ‘een grotemensenhuis’ wonen? En mama? Tegen haar kán ik het niet meer zeggen…ik ben niet eerlijk tegen haar geweest. Je leest: veel angst om mensen teleur te stellen en bang voor de gevolgen daarvan.

Nadat ik op 10 januari jongstleden op het carnavalsgala mijn enkel zwikte en op een stretcher in de woonkamer moest slapen omdat ik de trap niet meer op kon, kon ik niet langer zwijgen. IK KAN DIT NIET! IK HEB ECHT EEN GELIJKVLOERSE WONING NODIG! Toen ik dit aan Kelvin moest vertellen, heb ik twee nachten nauwelijks kunnen slapen. Ik was zo bang. Hetzelfde gebeurde me toen ik papa moest vertellen dat dit niet meer te handhaven is. En nu…nu deel ik het met jullie: mijn vrienden, mijn familie en alle andere lezers.

Ik kies er zo bewust voor om niet de angst (om mensen teleur te stellen) te laten regeren, maar om leiding te nemen in mijn proces dat ‘volledige acceptatie’ heet. Ik wil niet meer in de afgrond kijken, maar ik wil een stap voorwaarts maken naar iets mooiers; weg van de rotswand waar ik al zo lang angstig tegenaan sta te leunen. Dat kan alleen als ik open en eerlijk ben over wat ik kan en wat ik niet kan. Eerlijk over wat haalbaar is en wat niet. Eerlijk over hoe ik mijn energie moet verdelen. Eerlijk naar mezelf en eerlijk naar jullie allen.

Deze openheid en eerlijkheid werd door papa en Kelvin gelukkig goed ontvangen; ook al voel ik dat er ook teleurstelling is. Maar geen teleurstelling omdat ik iets niet kan, maar teleurstelling omdat ik niet open en eerlijk durfde te zijn over mijn (on)mogelijkheden.

Lieve Kelvin, lieve papa, lieve mama… lieve vrienden, collega’s, kennissen en lezers: het spijt me enorm dat ik zoveel tijd (12,5 jaar is lang!) nodig had om over mijn schaduw te stappen. Om te kunnen en willen zien dat ik jullie niet teleurstel als ik iets niet (aan)kan. Uit de grond van mijn hart: sorry!

Loop met me mee; weg van de rotswand. Kijk met me mee en zie dat er geen afgrond is, maar zie wat er werkelijk is en dat het er mag zijn. Paradijstuin of niet, met jullie wandel ik graag onbezorgd en vrij van angst verder het leven in.

Alle liefs,

Laurens