0314 848080 info@gewoonlaurens.nl

Samen met Adonis (ons poezenkind) lig ik op de bank. Hij is niet bij me weg te krijgen. Waar ik loop, loopt hij. Waar ik lig, ligt hij en wanneer ik huil, troost hij me. Ik praat tegen Adonis, praat mijn gedachtes van me af en als beloning krijg ik een kopje tegen mijn kin. Toch is praten tegen de kat ook niet alles… Ik praat liever tegen jou!’

Nog één keer

Ik sprak in februari met mezelf af dat ik enkel nog inspirerende en positieve blogs zou schrijven. Waar ik mijn blogs een klein jaar gebruikte om te dealen met het verdriet omtrent het ziek-zijn en het overlijden van mijn allerliefste mama, wilde ik nu alleen nog maar vooruitkijken, kijken naar het mooie, het positieve. Maar ik faalde…

Ruim een half jaar geleden schreef ik mijn laatste blog en het volgende blog moest iets moois zijn. Dat lukt me al zes maanden niet en daar moet maar eens een eind aan komen. Ik kies er daarom voor vandaag een periode af te sluiten. Alle lelijkheid, zorgen en niet-helpende gedachten schrijf ik vandaag nog één keer van me af. Nog één keer, om hierna op te staan en elke zondag te schrijven over thema’s die me opvallen, bezighouden, die het nieuws beheersen. Lieve lezer, sta mij nog een keer toe om van me af te schrijven hoe ik me voel en wat me bezighoudt. Nog één keer…

Ik deelde in mijn blogs met jullie hoe ik dealde (althans, hoe ik probeerde te dealen) met het ziek-zijn en het overlijden van mama. Ook deelde ik hoe moeilijk ik het vond te erkennen dat ik fysiek beperkt ben en deelde ik hoe ik probeer te dealen met mijn angsten om mensen teleur te stellen. Deze periode lijkt alles samen te komen. Het net lijkt zich te sluiten en ik weiger me mee te laten glijden met deze spiraal van negativiteit.

Geschikt of ongeschikt?

Na een periode van drie jaar waarin ik een dag minder ging werken (lees: ik stond één dag ziekgemeld en werkte er dus vier) in het onderwijs, gaat het UWV een oordeel vellen over mijn arbeids(on)geschiktheid. Een spannende tijd, maar ook een fijne! Ik ben ontzettend blij dat er eindelijk een professional een deskundig, onderbouwd en verantwoord oordeel gaat vellen over wat ik precies kan en wat ik niet kan. Al sinds 2007 werk ik met al mijn toewijding in het onderwijs en merk ik dat ik dat eigenlijk al sinds 2007 nauwelijks vol kan houden. Dus: kom maar op met dat oordeel, UWV!

Op 17 september heb ik dan eindelijk het gesprek met de verzekeringsarts van het UWV. Ik loop het kantoor van mevrouw de verzekeringsarts binnen, plof op de stoel en mevrouw vraagt mij recht op de man af: “Hoe houd je dit al twaalf jaar vol?” De vraag én de toon laten niks te raden over. Met mijn volledige medisch dossier voor haar neus, weet deze vrouw duidelijk waar ze over praat en ik vertel haar open en eerlijk hoe ik de afgelopen twaalf jaar heb kunnen camoufleren dat het werk me al zo lang opbreekt.

Dat de drang om ‘normaal’ te zijn het won van mijn verstand en de fysieke signalen die ik kreeg (en keihard, structureel negeerde). Het was fijn dat er erkenning was. Erkenning voor het onmogelijke dat ik toch mogelijk wist te maken en ergens streelt dit mijn ego. Ik zit met een trotse blik en een rechte rug in het gesprek; dat heb ik toch maar mooi geflikt, de afgelopen twaalf jaar. Onvoorstelbaar dat ik in zo’n situatie nog iets weet te halen om mijn ego te strelen. Echter maakt de arts daar snel korte metten mee.

“Het onderwijs is geen plek voor jou om te werken. Eigenlijk is het dat nooit geweest. Niet omdat je het niet kunt, maar omdat je met deze baan roofbouw pleegt op lichaam en geest. Houd hier mee op!” De Laurens van pakweg drie jaar geleden zou deze arts flink de oren gewassen hebben. Ik zou haar er waarschijnlijk van hebben weten te overtuigen dat ze de plank volledig misslaat. Dat ze veel te snel oordeelt en mij ernstig onderschat. Ik had deze opmerkingen aangezien voor een persoonlijke aanval van een compleet incompetente arts. Ook al zullen mijn vrienden om het voorgaande hard lachen omdat ze dit van me kennen, toch bestaat die Laurens.

De Laurens van vandaag de dag zuchtte diep, keek de arts aan en zei: “Ik voel aan alles in mijn lijf dat u gelijk heeft.” Ik meende dat. Ik was opgelucht. Ik hoef me van mezelf niet te blijven bewijzen en deze arts heeft dat gewoon heel erg goed gezien. Ik ben opgelucht dat ik het gevecht mag staken.

We vervolgen het gesprek, dat ruim anderhalf uur zou duren en het gesprek was fijn. Ik durfde helemaal eerlijk te zijn in alles wat ik kan en wat ik stiekem niet kan. Ik durf eerlijk te zijn over de beperkingen die niemand aan mij ziet, maar waar ik wel elke dag mee heb te zien om te gaan. Wat voelt dat ontzettend fijn! Ik hoef niet te doen alsof ik luister, ik mag zeggen dat de informatiestroom voor mij niet te verwerken is. Ik mag zeggen dat ik veel vergeet, ik mag zeggen dat ik wel wíl leren, maar dat gewoonweg niet meer kan en ik mag zeggen dat ik van veel prikkels overstuur en ziek raak. Wat fijn om dat niet meer te hoeven maskeren.

De conclusie van het gesprek luidt dat de arts verwacht dat er met mijn beperkingen niet zondermeer een baan te vinden is die zonder aanpassingen geschikt is voor mij. Ik steven dus waarschijnlijk af op een volledige arbeidsongeschiktheid. Dat besef dringt de afgelopen twee weken tot me door. Waar ik me eerst bevrijd voelde, voel ik me nu meer dan verschrikkelijk. Ik huil veel, ben ziek en de stress slaat dusdanig op mijn zwakke linkerbeen, dat lopen nog nauwelijks lukt. Deze week velt de arbeidsdeskundige van het UWV het definitieve oordeel; ik ben benieuwd.

De mensen met wie ik dit nieuws deel, zijn allen vol ongeloof. “Je kunt zo veel!”, is wat men mij teruggeeft. Iedereen bedoelt dat ontzettend lief, dat weet ik. Ik waardeer dit ook enorm, maar laten we ook even eerlijk blijven: elke baan waarin ik zou kunnen werken, zou voor mij geschikt gemaakt moeten worden. Er moet rekening gehouden worden met mijn cognitieve belastbaarheid, met de onmogelijkheden van mijn linkerarm, met de beperking van mijn linkerbeen en met de energie en krachten die het kost om alles (met rechts) maar te compenseren. Ook al wil ik het niet, ik denk dat de arts gelijk heeft en dit van de arbeidsdeskundige ook gaat krijgen. Dat doet pijn. Heel veel pijn. Ook al is dit rationeel prima te begrijpen, emotioneel komt de boodschap dat er geen enkele baan voor mij zondermeer geschikt is, keihard aan. Nog nooit heb ik me zo gehandicapt gevoeld.

De druppel

Dit was de druppel die de emmer volledig deed overlopen. Ik mis mijn mama meer dan ik de laatste maanden gedaan heb, ik voel me overal door iedereen bekeken en ik voel me verdomd eenzaam, ondanks alle lieve woorden die ik ontvang. Een paar dagen geleden ben ik voor het eerst in mijn onderwijscarrière ziek naar huis gegaan en de afgelopen dagen kom ik de bank nauwelijks af.

Juist nu heb ik behoefte aan de warme knuffels van mama, aan haar wijze raad en hunker ik naar haar vermogen om in elke helse situaties het goede en mooie te ontdekken. Wie gaat mij daar nu bij helpen? Wie trekt mij uit dit dal? Ik weet het nu even niet. Het grote gemis van mijn steun en toeverlaat en mijn klankbord is meer voelbaar dan het de afgelopen maanden was. Simpelweg omdat dit altijd de momenten waren dat ik zo op mama leunde. Nu moet ik leunen op mezelf en dat lukt me maar moeilijk. Het lijkt wel of iedereen aan me ziet wat er speelt.

Nu word ik overal waar ik me beweeg al jaren aangekeken, nagekeken en nagewezen. Wordt er gefluisterd en om me gelachen. Dat went nooit, maar ik snap het ergens wel. Ik loop ook anders dan ‘de rest’, mijn arm staat er anders bij en sinds kort ben ik ook een lokale attractie als ik met mijn orthopedische schoenen op mijn schitterende driewiel ligfiets door Doetinchem fiets. Eerlijk: ik laat de fiets op sommige tijden gewoon staan, omdat ik bang ben voor veel mensen die kijken. Ik kwam een aantal maanden geleden, toen ik op de fiets zat, een bekende tegen en ik groette haar. Ze durfde nauwelijks naar me te kijken, laat staan te groeten. Pijnlijk! Dat wil ik niet meer, dus liet ik de fiets weken staan.

Maar deze weken heb ik nog meer last van al die blikken dan anders. Het lijkt alsof ze nu ook nog kunnen ruiken dat ik misschien wel arbeidsongeschikt (lees: niet geschikt om te werken!) ben. Onzin natuurlijk, dat kun je helemaal niet ruiken. Maar toch lijkt het zo.

Waar manlief een aantal weken geleden weer een nieuwe studie begon en dus gaat werken aan zijn toekomst, lijkt mijn (werk)toekomst er helemaal niet meer te komen. Natuurlijk steun ik Kelvin, help ik hem en ben ik on-ge-loof-lijk trots dat hij ervoor durft te kiezen weer vier jaar te gaan studeren. Natuurlijk! Maar wat confronteert het mij met mijn huidige werkstatus.

Met zo veel lastige gevoelens jezelf staande zien te houden, is een lastige klus. Nu reageert mijn lijf daar fysiek op met een griepje. Niet leuk, maar ook fijn dat mijn lijf me nu dwingt even een pas op de plaats te maken. Een moment van bezinning, reflectie en een moment om al deze negatieve gevoelens er even te laten zijn. “Laat het stromen,” zou mama gezegd hebben. Ik kies ervoor dit nu op te schrijven, te delen en de reacties tot me te nemen; ik laat het stromen. Maar daarna moet de blik ook weer op de toekomst, hoe onzeker die ook is. Ik moet zoeken naar het mooie, doen waar ik gelukkig van word en laten wat me ongelukkig laat voelen. Ook al voelt dat nu wat geforceerd, dat is wel wat ik nu ga doen.

Vanaf volgende week blog ik (weer) over de minder persoonlijke zaken des levens. Niet omdat persoonlijke misère er niet mag zijn, maar vooral om mezelf en jou te laten zien dat er nog veel en veel meer is dan de misère alleen.

Ondertussen loopt Adonis heen-en-weer over mijn toetsenbord. Het is een duidelijk signaal: ik moet weer met hem gaan praten (of moet hij gewoon eten?).

Ik dank je voor het lezen van al mijn minder-gezellige berichten. Ik dank je ook (vast op voorhand) voor je reactie en ik hoop dat je vanaf zondag 6 oktober komt lezen waar ik dan over vertel.

Liefs,

Laurens