0314 848080 info@gewoonlaurens.nl

Mijn meest onzekere ik, gevangen in deze foto. Waar ik gisteren op Facebook nog schreef hoe blij ik ben dat ik weer kan/ durf (te) fietsen, is het ook wel zo eerlijk even stil te staan bij de keerzijde. Ik voel me namelijk soms behoorlijk ongemakkelijk op deze fiets.

Zoals je ziet op de foto is mijn fiets geen standaardfiets. Dat trekt nogal veel toeschouwers. Men verwacht over het algemeen geen (relatief) jonge vent op deze driewieler aan te treffen. Deze blikken vind ik niet fijn, poepvervelend zelfs, maar ergens begrijp ik het. Men ziet iets wat ‘anders is dan anders’ en daar kijkt men naar. Dat betekent niet dat ze er ook iets van vinden, natuurlijk.

Wat ik veel en veel moeilijker vind, is het tegenkomen van bekenden. Of het nou oud-leerlingen, bekenden uit de stad, kennissen of oud-collega’s zijn. Dat doet me elke keer een beetje pijn. Soms besluit ik te doen alsof ik ze niet gezien heb. Ik draai mijn hoofd subtiel de andere kant op en fiets hard verder. Maar soms heb ik ‘een stoere bui’ en groet ik de bekende.

Het is me de afgelopen weken al veel te vaak overkomen dat ik de bekende zag schrikken. Een ongemakkelijk gezicht keek me aan en schoorvoetend komt er (misschien) een ‘hoi’ uit. Aan Kelvin (die vaak met me meefiets) vraag ik dan wel eens of ik iets raars of geks deed. Dat blijkt nooit het geval.

De geschrokken blikken van mensen geven me haast het gevoel dat ze bang zijn dat het slechter met me gaat. Dat mijn lijf achteruit is gegaan, dat ik ‘nog gehandicapter’ ben geworden. Het tegendeel is waar:

Het feit dat het me nu fysiek lukt om op deze fiets twintig kilometer te fietsen, had ik een jaar geleden absoluut niet voor mogelijk gehouden. Het betekent dus eigenlijk dat het fysiek een stuk beter met me gaat dan vorig jaar!

Vlak na de hersenbloeding die ik veertien jaar geleden doormaakte, ging ik revalideren. Ook fietsen was iets wat ik graag wilde leren. Jarenlang heb ik dat geprobeerd; bij verschillende revalidatiecentra en ziekenhuizen. Elke keer lukte het niet. Het was fysiek gewoonweg niet mogelijk. In 2013 (na zeven jaar oeverloos proberen) besloten mijn fysiotherapeut en ik dat het mooi was geweest: ik zou moeten accepteren dat ik nooit meer kan fietsen.

Daar legde ik me bij neer. Naar feestjes ging ik altijd met de auto, zelfs naar de winkel om de hoek. Dat vond ik jammer, maar niet erg. Nooit met de fiets ergens heen kunnen en met vrienden een borrel kunnen drinken, vond ik dan wél weer erg. Totdat mijn allerliefste mama ziek werd.

Mama kreeg een hersentumor en we wisten al direct dat mama daar (snel) aan zou komen te overlijden. Mijn mama was dol op fietsen. Mama fietste overal naar toe, wilde geen auto meer rijden. Mama hield van de fiets en het deed haar pijn dat ik dit niet meer kon. Toen mama een paar maanden ziek was, zat ik naast haar op de bank. We hadden het over fietsen en dat het zo jammer is dat ik dat nooit meer zou kunnen. Mama accepteerde dat niet. “Je kunt alles,” zei ze altijd. Op dat moment beloofde ik haar dat ik het nog één keer ging proberen. Voor haar. Voor mama wilde ik de fiets weer op. Mama trots maken. Op papier een kansloze missie.

Vlak na mama’s overlijden ging ik met Kelvin en papa naar Varsseveld: een fiets uitproberen. Tot ons aller vreugde lukte dat: ik fietste een proefrondje. DAT GING GOED!! De fiets werd besteld en een paar maanden later geleverd. Het was november 2018. De fiets heeft nog tot 29 juli 2019 in de schuur staan verstoffen. Mama zou op 26 juli 67 jaar zijn geworden; drie dagen later kwam mijn fysiotherapeut Manon bij me en leerde zij me veilig fietsen. Wat een mooi cadeau voor mama. Ik genoot!

En toch duurde het nog tot een paar weken geleden dat ik met mijn fiets gezien wilde worden. Dat ik ook op drukke momenten gewoon de fiets pak.

Lieve mensen, ik ben zo blij dat ik dit weer kan en mag doen. Blij voor mezelf, voor mijn vrijheid. Blij voor Kelvin, omdat we nu samen kunnen fietsen en heel blij voor mijn mama. Oh oh oh wat zal ze trots zijn!

En jullie wil ik alleen vragen om niet van me te schrikken. Het gaat niet slecht met me; juist heel erg goed. Wees blij voor me en groet me. Kijk niet weg, word niet ongemakkelijk (en maak geen flauwe opmerkingen naar degene naast je). Ik ben zo blij dat ik je fietsend tegen mag komen. Iets dat niemand (behalve mijn mama) ooit nog had verwacht.

Tegen mezelf zeg ik: Oordeel niet! Je weet niet wat de ander denkt. En wat de ander ook denkt, die gedachte mag er ook zijn. Mag de ander verwonderd zijn? Mag de ander zich even geconfronteerd voelen met iets waar hij of zij normaliter niet meer mee bezig is als hij of zij je ziet? Mogen mensen het gek vinden? Natuurlijk mag dat. Het enige waar ik invloed op heb is op mijn eigen interpretaties en de waarde die deze hebben. Ik predik overal dat iedereen gewoon mag ‘zijn’. Dan moet ik mezelf dat natuurlijk ook toestaan en niet bezig zijn met het oordeel van de ander (wat er misschien niet eens is). Daarnaast: de gedachte van die ander mag er óók zijn. Denk voor jezelf, let op de weg, lach, leef en geniet!

 

Liefs,

Laurens